Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB2940

Datum uitspraak2001-10-02
Datum gepubliceerd2002-03-20
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01717/00
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Nr. 01717/00 Mr Wortel Zitting: 19 juni 2001 Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte] Edelhoogachtbaar College, 1. Verzoeker is door de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam bij vonnis van 16 januari 1998 wegens (feiten 1 en 2): "De voortgezette handeling van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd en van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd" en (feit 3): "Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van ( 2000,=, subsidiair 35 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van negen maanden. 2. Tegen dit vonnis heeft verzoeker "beroep" ingesteld. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 6 januari 2000 vastgesteld dat tegen het op tegenspraak gewezen vonnis, voor zover daarin beslissingen zijn genomen ten aanzien van de tenlastegelegde overtreding (feit 2), geen hoger beroep, maar wel beroep in cassatie openstond, en dat verzoeker zich blijkens diens mededeling ter terechtzitting in hoger beroep inderdaad, voor zover het vonnis ter zake van de overtreding is gewezen, van dit rechtsmiddel heeft willen voorzien. Het Hof heeft bepaald dat de stukken ter verdere afdoening in zoverre naar de Hoge Raad gezonden dienden te worden. Voorts heeft het Hof overwogen: "In verband met de omstandigheid dat het hoger beroep geen betrekking heeft op het onder 2 tenlastegelegde feit, bepaalt het hof - met toepassing van artikel 423 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering - de straf voor dat feit op een geldboete van ( 500,= en de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid op 3 maanden." 3. Een exemplaar van 's Hofs arrest bevindt zich bij de stukken. Daaruit blijkt dat het Hof bewezen heeft geacht hetgeen verzoeker onder 1 en 3 is tenlastegelegd, die feiten heeft aangemerkt als "overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd", en verzoeker deswege een geldboete van ( 1000,=, subsidiair 20 dagen hechtenis alsmede (ten aanzien van feit 1) een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden heeft opgelegd. 4. Het arrest is op tegenspraak gewezen. Blijkens het zakenadministratiesysteem van de Hoge Raad is daar geen cassatieberoep tegen ingesteld, hetgeen desgevraagd door de griffie van het Hof werd bevestigd. Het arrest is derhalve onherroepelijk geworden. 5. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. 6. Het in hoger beroep gewezen arrest staat, nu verzoeker daarin heeft berust, thans niet ter beoordeling. Opmerking verdient evenwel dat het Hof in dit geval ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in het vierde lid van art. 423 Sv. Ter zake van de in eerste aanleg bewezenverklaarde, en op de voet van art. 56 Sr in de straftoemeting betrokken, overtreding stond - zoals het Hof terecht vaststelde - geen hoger beroep open. Art. 423, vierde lid, Sv kan slechts worden toegepast ten aanzien van beslissingen waartegen hoger beroep openstaat, vgl. HR DD 97.315 en HR 19 december 2000, griffienr 01766/00. 7. Ik meen het aldus te kunnen formuleren: toepassing van art. 423, vierde lid, Sv kan alleen aan de orde komen bij een door de appellant beperkt hoger beroep. Het moet gaan om in eerste aanleg genomen beslissingen waartegen de wet hoger beroep openstelt, maar waarin degene die het hoger beroep heeft ingesteld berust. Bijgevolg kan het vierde lid van art. 423 Sv niet worden toegepast ten aanzien van beslissingen waartegen nog een ander rechtsmiddel (verzet of cassatie) openstaat. De desbetreffende overweging van het Hof (die in het dictum van het arrest overigens niet weerkeert) zal dus zonder rechtsgevolg moeten blijven. 8. Met betrekking tot het vonnis dat nu ter beoordeling staat heeft naar mijn inzicht het volgende te gelden. 9. De kwalificatie behelst dat de bewezenverklaarde overtreding (kort gezegd: gevaarlijk of hinderlijk weggedrag van verzoeker als bestuurder van een auto) meermalen is gepleegd en is aangemerkt als voortgezette handeling ten aanzien van (even kort aangeduid) rijden onder invloed, welk misdrijf eveneens meermalen is gepleegd. 10. De 'voortgezette handeling' is in art. 56 Sr opgenomen als een straftoemetingsvoorschrift. Indien zulke 'voortgezette handeling' wordt aangenomen dient slechts één van de wettelijke strafbepalingen waarin aspecten van het als één geheel aan te merken gedrag strafbaar zijn gesteld te worden toegepast. Bij verschil in zwaarte moet dat de zwaarste strafbaarstelling zijn. Dit is aan te duiden als 'absorptie' van strafbepalingen: de lichtste sanctienorm blijft ongebruikt. 11. Mij komt het daarom voor dat in het oordeel van de politierechter besloten ligt dat ter zake van de overtreding van art. 5 WVW 1994 - meer precies uitgedrukt: op grond van die strafbepaling, die een deel van het bewezenverklaarde, voor de strafoplegging als één geheel aangemerkte, gedrag betreft - geen straf is opgelegd. Aangezien dat inherent is aan toepassing van art. 56 Sr is er naar mijn inzicht geen noodzaak dit, na vernietiging van het vonnis, nog eens met zoveel worden tot uitdrukking te brengen. Om dezelfde reden kan, lijkt mij, ook de kwalificatie in stand blijven. 12. Deze gedachte kan verder worden voortgezet. Men kan vaststellen dat verzoeker geen belang heeft bij dit cassatieberoep. Blijkens zijn ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring heeft verzoeker erkend dat hij, na alcohol te hebben gebruikt, te hard heeft gereden. Hij heeft niet betwist, gelijk uit de overige bewijsmiddelen volgt, dat hij (in het holst van de nacht pogend te ontkomen aan een alcoholonderzoek) op zeker moment de lichten van zijn auto heeft uitgedaan, en dat hij twee maal een rood verkeerslicht heeft genegeerd. Er kan dus niet aan de orde zijn dat het onder 2 tenlastegelegde ten onrechte bewezen is verklaard. De straftoemeting ter zake van dit handelen en ter zake van het rijden onder invloed is, door de toepassing van art. 56 Sr, geheel gebaseerd op de in art. 8 WVW 1994 opgenomen sanctienorm. Op de grondslag van die strafbepaling is thans onherroepelijk straf opgelegd. 's Hofs overweging, gegeven in het hoger beroep ter zake van de misdrijven, betreffende het deel van de straf dat verbonden zou zijn aan de overtreding van art. 5 WVW 1994 ontbeert rechtsgevolg. 13. Bij vernietiging van het vonnis heeft verzoeker geen enkel belang. Bij deze stand van zaken kan er naar mijn inzicht ook aan voorbij gegaan worden dat de politierechter de bewezenverklaring van de overtreding ten opzichte van de wijze waarop die is tenlastegelegd bedenkelijk ver heeft teruggebracht. De in de tenlastelegging behoorlijk omschreven feiten en omstandigheden waaruit het gevaarlijke van verzoekers wijze van rijden blijkt is in de bewezenverklaring niet opgenomen. Men zou wellicht moeten vaststellen dat de bewezenverklaring daardoor te kwalificatief, en te weinig feitelijk is. Bij die vaststelling heeft verzoeker evenwel, gelet op het vorenstaande, geen belang. 14. Nu ik ambtshalve geen redenen voor cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,


Uitspraak

2 oktober 2001 Strafkamer nr. 01717/00 SO/EDK Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 16 januari 1998, nummer 13/041363-96, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft, voorzover in cassatie van belang, het hoger beroep van de verdachte tegen het vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrecht-bank te Amsterdam van 16 januari 1998, waarbij de verdachte ter zake van "De voortgezette handeling van overtreding van artikel 8 van de Wegensverkeerswet 1994, meermalen gepleegd en van artikel 5 van de Wegensverkeers-wet 1994, meermalen gepleegd" is veroordeeld, verstaan als beroep in cassatie voorzover dit beroep is gericht tegen de veroordeling wegens de overtreding. De straf ter zake van de overtreding is bepaald op een geldboete van vijfhonderd gulden met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden. 2.Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak 3.1.1. Bij inleidende dagvaarding is onder 2 tenlastegelegd dat: "hij in de gemeente Hilversum op (of omstreeks) 17 november 1996 (tussen 01.48 uur en 02.00 uur, in elk geval in een periode) tijdens de nacht, als bestuurder van een personenauto (gekentekend [aa-oo-bb]), daarmede rijdende (achtereenvolgens) op één of meer (hierna genoemde) weg(en), zich (telkens) zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg(en) werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, bestaande dat (rij)gedrag hieruit: dat hij daar en toen, [-terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde althans na het gebruik(en) van alcoholhoudende drank-],als bestuurder van die personenauto, daarmede op (een gedeelte van) de Utrechtseweg [tussen de Noodweg (in de gemeente Hilversum) en de bebouwde kom der gemeente Hilversum] heeft gereden met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid de op (dat gedeelte van) die Utrechtseweg toegestane snelheid van 70 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid, welke (veel) te hoog was voor een veilig verkeer te plaatse, en/of, (vervolgens), (nadat hij, verdachte, de verlichting van die door hem bestuurde personenauto had gedoofd,) met die personenauto op (een binnen de bebouwde kom der gemeente Hilversum gelegen gedeelte van) die Utrechtseweg heeft gereden met een snelheid van 150 kilometer per uur, althans met een (veel) hoge snelheid dan de op [(laatst) bedoelde gedeelte van] die Utrechtseweg toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid, welke (veel) te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse, en/of (vervolgens), rijdende met die personenauto op de Utrechtseweg, bij nadering van althans gekomen op of ter hoogte van de kruising of splitsing van die Utrechtseweg met de Diependaalselaan, alvorens (naar rechts) af te slaan (teneinde die Diependaalselaan op te rijden), niet een teken met zijn(rechter) richtingaanwijzer heeft gegeven en/of (bovendien) (daarbij) niet is gestopt voor een in zijn richting gekeerd en/of voor het verkeer in zijn, verdachtes, (rij)richting geldend, ROOD licht uitstralend verkeerslicht, en/of (vervolgens), rijdende met die personenauto op de Diependaalselaan, gekomen op of ter hoogte van de kruising of splitsing van die Diependaalselaan met het Oostereind, niet is gestopt voor een in zijn richting gekeerd en/of voor het verkeer in zijn, verdachtes, (rij)richting geldend, ROOD licht uitstralend verkeerslicht; (art. 5 WVW94)". 3.1.2. Daarvan heeft de Politierechter bewezen verklaard: "dat hij in de gemeente Hilversum op 17 november 1996 tussen 1.48 uur en 2.00 uur, als bestuurder van een peronenauto (gekentekend [aa-oo-bb]), daarmee rijdende op meer wegen, zich telkens zodanig heeft gedragen dat gevaar op die wegen kon worden veroorzaakt, en het verkeer op die wegen kon worden gehinderd". 3.1.3. De Politierechter heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan bewezen is verklaard. 3.2. Uit hetgeen hiervoor onder 3.1 is overwogen volgt dat de Politierechter de verdachte heeft vrijgesproken van al die gedragingen welke de verdachte bij de inleidende dagvaarding onder 2 - na het inleidende gedeelte, hetwelk wordt gevolgd door de woorden "bestaande dat (rij)gedrag hieruit" - in concreto zijn verweten. Dat in aanmerking genomen had de Politierechter de verdachte moeten vrijspreken van het gehele onder 2 tenlastegelegde feit. De Hoge Raad zal, met vernietiging van het vonnis van de Politierechter in zoverre, doen wat de Politierechter had moeten doen. 4. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt het vonnis van de Politierechter voorzover betreffende de beslissingen ten aanzien van het bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde; Spreekt de verdachte vrij van hetgeen hem bij inleidende dagvaarding onder 2 is tenlastegelegd. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 2 oktober 2001.